content

Zandstraatkwartier

Volksbuurt en uitgaansgebied in het stadscentrum, werd in 1912 gesloopt om plaats te maken voor het nieuwe stadhuis en het postkantoor. Het Zandstraatkwartier, ook wel de ‘Polder’ genoemd, lag tussen de Coolvest en de Delftsevaart. De Zandstraat – aanvankelijk Roodezandstraat geheten – die liep van de Raamstraat naar de Leeuwenstraat, was het hart van deze buurt.

Inhoudsopgave

Vooral in de 19de eeuw nam de bevolkingsdichtheid in het Zandstraatkwartier flink toe. Tuinen werden bebouwd en huizen werden opgedeeld zodat er meerdere gezinnen konden wonen. In 1911 leefden op een oppervlak van twee hectare (vier voetbalvelden) 2400 mensen bij elkaar.

Bewoners

De bewoners waren overwegend arme mensen. De socialist Hendrik Spiekman (1874-1917) publiceerde in 1903, in samenwerking met de journalist Louis Schotting een brochure over de woon- en leefomstandigheden in dit deel van de stad, onder de titel Arm Rotterdam. Bij hun onderzoek waren Spiekman en Schotting gestuit op krotten, die doortrokken waren van stank, en waar de bewoners moesten samenleven met allerlei ongedierte. De meeste bewoners waren ongeschoold. Ze kwamen aan de kost als sjouwer of dreven een klein handeltje. Onder de bewoners waren relatief veel ongetrouwde vrouwen. Sommige hadden een logement, andere werkten als wasvrouw of als prostituee. In de Zandstraatbuurt en dan vooral in de Raamstraat woonden ook nogal wat Joden. Cabaretier / revueartiest Louis Davids (Simon David) werd er geboren in 1883 als zoon van de komiek en caféhouder Levie David en Francina Terveen in een arm Joods gezin van acht kinderen.

Uitgaansgebied

Aan het eind van de achttiende eeuw was de Zandstraatbuurt in zwang geraakt als uitgaansgebied. Het wemelde er van de danssalons, bierhuizen en bordelen. Die waren vooral populair bij passagierende matrozen en zeelieden, maar ook de in Leiden studerende zonen van de Rotterdamse elite kwamen er graag. Het was ook een geliefde hangplek voor bohemiens van allerlei slag. Onder hen de schilder Kees van Dongen en de schrijver/journalist Marie Joseph Brusse. Allebei waren ze gefascineerd door de buurt, die ze omstreeks 1899 geregeld bezochten. ‘Hoe vaak hebben we daar samen rondgedoold, zoo maar wat zwervende door die stiekem felle roezemoes, door de slopjes en steegjes van de schier koolzwarte krotten, hoog open gekokerd in de nachtlucht met tòch nog enkele sterren’, schreef Brusse in 1927 in de Nieuw Rotterdamsche Courant. Van Dongen tekende tijdens zijn dwaaltochten door de 'Polder' in vlotte krabbels prostituées en matrozen. Brusse verwerkte zijn ervaringen in reportages voor de krant. In 1912 publiceerde hij Het rosse leven en sterven van de Zandstraat, als een soort literair requiem voor de buurt.

Sloop

Op voorstel van B&W had de gemeenteraad het besluit genomen om vanaf 1 januari 1912 het hele Zandstraatkwartier af te breken. Hendrik Spiekman stemde onder andere tegen. De grondslag voor dit besluit was gelegd door burgemeester Zimmerman met zijn initiatief om van de Coolsingel een boulevard te maken. Om de bouw van een postkantoor en een nieuw stadhuis mogelijk te maken, moest de Zandstraatbuurt wijken. Op 12 augustus 1914 ging de eerste paal voor het nieuwe stadhuis de grond in. Architect Hendrik Jorden (Henri) Evers tekende voor het ontwerp.