content

Vergeten bombardement, 31 maart 1943

Amerikaans bombardement op Rotterdam-West, waarbij de woonwijk Tussendijken werd getroffen. Meer dan 400 mensen kwamen om.

Amerikaans bombardement op Rotterdam-West. In plaats van de werf van Wilton-Feijenoord in Schiedam, werd de Rotterdamse woonwijk Tussendijken getroffen. Meer dan 400 mensen kwamen om.

Geheime conferentie

Medio januari 1943 vond in Casablanca een geheime conferentie plaats tussen de Britse minister-president Winston Churchill, de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt en hun belangrijkste adviseurs. Het doel was de strategie in de oorlogsvoering voor de komende periode nader te bepalen. Voor de oorlogsvoering in noordwest Europa werden de volgende prioriteiten vastgesteld: bestrijding van de Duitse onderzeeërs, vliegtuigindustrie, transportsector, olieraffinaderijen en overige oorlogsindustrie.

Doelwit Rotterdamse haven

Een doel bij uitstek was het Rotterdamse havengebied, waar de bouw en reparatie van oorlogsschepen, olietankers, vrachtschepen en zware wapens van groot belang was voor de Duitse oorlogsvoering. En een zwaartepunt binnen dit gebied was de grote werf van Wilton-Feijnoord in Schiedam, waar, naast de hiervoor genoemde werkzaamheden, ook de vervaardiging van torpedolanceerbuizen voor Duitse onderzeeërs plaatsvond.

Uitwijkdoelen

De toestellen van Amerikaanse 305 Bomb Groups losten op 31 maart om 13:21 uur vanaf een hoogte van ongeveer zeven kilometer de eerste reeks bommen. Een deel hiervan kwam terecht op de zuid-oever bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij. Enkele minuten later was het de beurt aan zeventien vliegende forten van 303 Bomb Groups. Deze formatie had oorspronkelijk als aanvalsdoel de werf van Wilton-Feijnoord in Schiedam. Toen bleek dat het doelwit te zeer onder het wolkendek schuil ging, werd op het laatste moment besloten uitwijkdoelen ten oosten van deze werf aan te vallen.

Handmatig richten

Bij een snelheid van circa vijfhonderd kilometer per uur was er voor deze doelen niet voldoende tijd meer om gebruik te maken van de automatische besturingsfunctie door de bomrichtapparatuur, de Norden Bombsight. De Norden Bombsight was een ultra geheim richtinstrument van de Amerikaanse luchtmacht. Met het instrument konden bommenwerpers vanaf grote hoogte hun doel nauwkeurig bepalen. Omdat het instrument niet gebruikt kon worden, moesten de bommenrichters bij het afwerpen de bommen handmatig corrigeren met betrekking tot snelheid, hoogte en windrichting. Bij het bepalen van de voorhoudshoek was rekening gehouden met al deze facetten, dus ook met de noordoostelijke (boven)wind.

Bommen op drift

Bij het doelgebied stond echter een grondwind, die uit tegengestelde richting kwam. Daardoor kregen de bommen, tijdens hun baan naar beneden een drift naar het noordoosten. Een onvoorziene, maar daarom niet minder noodlottige drift, want circa zeventig van de meer dan honderd brisantbommen kwamen noordoostelijk van de beoogde doelen terecht. Van 13:29 tot 13:31 uur sloegen de duizendponders in in de woonwijk Tussendijken.

Vuurzee

De schade was enorm in de dichtbevolkte wijk. De stormachtige wind joeg de ontstane brand fel aan, waardoor de omvang van de ramp nog verder toenam. Direct na het bombardement kwam het reddingswerk op gang. Op een groot aantal plaatsen in de wijk Tussendijken waren onmiddellijk na de bominslagen branden uitgebroken. Behalve bluswagens van de Rotterdamse brandweer kwamen in de loop van de middag korpsen met krachtig materieel uit Delft, Den Haag, Leiden, Voorburg, Gouda en zelfs Utrecht. Deze hulptroepen waren echter te laat om uitbreiding van de vuurzee te voorkomen.

Brand meester

Als de brandweer de brandhaarden snel had kunnen aanpakken, hadden honderden huizen gered kunnen worden. Maar in het eerste uur na het bombardement was er gebrek aan bluswater, doordat het drinkwaterleidingnet geraakt was tijdens het bombardement. Pas drie uur na het bombardement kon begonnen worden met effectief blussen. Uiteindelijk kon die avond om half twaalf ‘s nachts het sein ‘brand meester’ worden gegeven. Dat betekende dat de brandhaarden weliswaar niet geblust, maar toch ten minste onder controle waren.

Slachtoffers

Een groot deel van de slachtoffers was door de bominslagen en instortingen op slag gedood. Sommige overleefden een bominslag in de omgeving, zoals twintig gasten van een bruiloftsfeest. Een van hen vertelde: ‘Alles werd plotseling donker om ons heen. De voorgevel viel voorover en de vloer zakte onder onze voeten weg. Dat wij het er levend vanaf gebracht hebben, begrijp ik nog niet.’ Veel mensen hadden dit geluk echter niet. Ondanks de vele brandhaarden had het zoeken naar overlevenden voorrang. Tweemaal slechts werden levenden gevonden. In de Blokmakerstraat werd vijftig uur na het bombardement, door haar gehuil, een driejarig meisje opgemerkt. Diezelfde vrijdagmiddag werd een eenentachtigjarige man uit het puin bevrijd, dorstig en hongerig, maar verder ongedeerd.

Grote verontwaardiging

De verontwaardiging onder de bevolking over het onheil was algemeen. Daags na de ramp putten de dagbladen al uit in het vinden van superlatieven om aan hun afschuw over het gebeuren en hun weerzin tegen de veroorzakers ervan uiting te geven. De Britten werden aan de schandpaal genageld, want de Rotterdammers meenden de eerste paar dagen nog dat die het bombardement hadden uitgevoerd.

Bombardement Wilton-Feijnoord

Op 4 april 1943 was de grote werf van Wilton-Feijnoord in Schiedam nogmaals doelwit van een luchtaanval. Deze keer werd de aanval uitgevoerd door de Britse RAF. Deze keer was het goed raak. Het enorme zesenveertigduizend-tons droogdok werd vernield en andere gebouwen liepen aanzienlijke schade op. De Duitsers besloten op 5 april de werkzaamheden op de werf volledig stop te zetten.

Begrafenis slachtoffers

Woensdagmiddag 7 april, om 16:00 uur, werden op de algemene begraafplaats Crooswijk, de stoffelijke overschotten ter aarde besteld van zevenenvijftig slachtoffers van het bombardement op Tussendijken (zie 9_ Begraafplaats_crooswijk). Zij kregen naamloos een plaats in het massagraf, omdat hun resten niet meer te identificeren waren. Burgemeester Müller was de eerste spreker tijdens deze bijeenkomst. Hij noemde het gapende massagraf met de anonieme kisten een monument ter nagedachtenis aan de onbekende Rotterdamse burger. Müller bracht de martelende onzekerheid ter sprake, die velen op de begraafplaats hadden ten aanzien van het lot van hun vermisten en de burgermeester gaf toe dat de troostende woorden van hem hen weinig hielpen.

Troostrede

Om die reden richtte de burgemeester zich maar tot de naamloze slachtoffers en zei: ‘Het Engelse bombardement koos ook u uit, zonder rekening te houden met het feit dat gij toch part noch deel aan deze krijg had en dat uw zijn of niet- zijn voor het verloop van de krijg van geen betekenis was’. ‘De herinnering’, zo ging Müller verder, ‘aan u, gij medeburgers van Rotterdam zal blijven voortbestaan, al was het slechts om ons in dagen van strijd steeds en steeds weer voor ogen te houden, dat uw lot ook het onze kan zijn, dat dit graf in plaats van u ook óns tot zich had kunnen nemen. Gij, stadgenoten zonder naam, waart een deel van onze Rotterdamse gemeenschap. Met u gaat een stuk van onszelf heen. De band die ons als burgers van één stad samenbundelt, werd door het Engelse bombardement niet verbroken, veeleer nauwer dan ooit om ons heengesnoerd. In onze harten leeft de overtuiging dat wij kinderen uit één gezin zijn. Uw heengaan heeft in vele harten de nodige bezinning gebracht, waar nog voorheen haat en nijd onze gelederen placht te splitsen. De Rotterdamse burgerij zal zich u weten te herinneren. Die herinnering zal des te sterker zijn als eens het krijgsrumoer zal zijn verstomd. Dan zal eens te meer de grootheid voor ons oprijzen van het offer, dat gij hebt moeten brengen.’

Schuldvraag

Met deze woorden had Müller de rol van burgervader aangenomen en zijn best gedaan om met woorden te manoeuvreren tussen de lokale en nationale sentimenten en de sterk anti- Duitse gevoelens van velen om het graf. Tijdens de afscheidsceremonie op de Crooswijkse begraafplaats werd in Londen nagegaan welke fouten er waren gemaakt tijdens het bombardement en welke aan wie konden worden toegeschreven. De Achtste Amerikaanse Luchtmacht kreeg de volle lading van kritiek. De Nederlandse regering in Londen besloot de Amerikaanse regering niet aan te klagen. Zij nam genoegen met de schriftelijke excuses op 15 april van het Britse Air Ministry, dat de verantwoordelijkheid droeg, en met de toezegging dat in het vervolg al het mogelijke zou worden gedaan om herhaling van een dergelijke fout te voorkomen. Wel verlangde de regering dat voortaan alleen toestemming zou worden gegeven voor bombardementen in bezet gebied als de omstandigheden hiervoor gunstig waren, zodat een bombardement met voldoende precisie zou kunnen worden uitgevoerd. Hiermee stemde het Air Ministry in. Na de oorlog is de luchtaanval van 31 maart 1943 het Vergeten bombardement genoemd omdat hij lange tijd veel minder aandacht heeft gekregen dan het Duitse bombardement van 14 mei 1940 op het centrum van Rotterdam.