content

Station Blaak

Openbaar vervoersknooppunt aan de Blaak, werd op 15 september 1993 door koningin Beatrix geopend, tegelijk met de Willemsspoortunnel.

Geschiedenis

Op de plaats van station Blaak lag voorheen het station Beurs, genoemd naar het tegenoverliggende beursgebouw. Het in 1877 geopende station was onderdeel van het drie kilometer lange luchtspoor dat de stad doorkruiste. Het bombardement van 14 mei 1940 verwoestte station Beurs op de overkapping na. Al vóór het bombardement was men begonnen aan de bouw van het nieuwe Beursgebouw aan de Coolsingel.

Vorming station Blaak

Het nieuwe station werd in 1945 de naam Rotterdam Blaak gegeven. Het kreeg in 1953 een nieuwe ontvangsthal naar ontwerp van Sybold van Ravesteyn. Ze was echter geen lang leven beschoren. Op de overkapping na werd station Blaak in 1972 gesloopt voor de aanleg van de metrolijn. Bij de uitvoering ervan werd rekening gehouden met de aanleg van een spoortunnel. Het gebied dominerende luchtspoor werd overbodig door de aanleg van de Willemsspoortunnel. In 1993 werd het luchtspoor, samen met de overkapping van station Blaak, gesloopt. Het nieuwe Station Blaak werd tegelijk met de Willemsspoortunnel op 15 september 1993 door koningin Beatrix geopend.

Knooppunt

Station Blaak werd een nieuw knooppunt van vier verschillende vormen van openbaar vervoer. Op het maaiveld bevinden zich de bus- en tramhaltes. Eén niveau lager ligt het metrostation met haaks daaronder de perrons van het NS-station. Architect H.C.H. Reijnders kreeg de opdracht het complex van de boven elkaar liggende stations zichtbaar te maken, rekening houdend met veiligheid en herkenbaarheid.

Het ontwerp

Het ontwerp kent vele ruimtelijke effecten die versterkt worden door kleur- en lichteffecten. Bovengronds is het station herkenbaar aan de grote transparante schotel met een doorsnede van 35 meter, naar ontwerp van L.I. Vákár. Ze wordt gedragen door een schaalconstructie die is opgehangen aan een boog met een spanwijdte van 62,5 meter. Het geheel oogt als een soort geopende ‘putdeksel’ boven de ingang naar het ondergrondse station. Vandaar de bijnamen ‘vliegende schotel’, ‘putdeksel’ of ‘fluitketel’. In de boog zijn verspringende blauwe en gele neonbuizen aangebracht. De gele gaan branden als een trein richting CS vertrekt, de blauwe zijn voor de richting Dordrecht.

Technische vindingen

Via roltrappen, liften en vaste trappen komt men via de noordhal naar de 14 meter ondergrondse perrons. Via trappen zijn ze met de kruisende metrobuis verbonden en sluiten aan op de zuidhal. Hier zijn de restanten van de oude stadsmuur te zien die tijdens de werkzaamheden werden blootgelegd. Geluidsoverlast wordt gereguleerd door allerlei technische vindingen, zoals golvende isolatieplafonds en rubberen matten waarop de rails liggen. De open verbinding naar buiten voorziet het station van daglicht, vergroot de veiligheid en vormt een oplossing voor de luchtverplaatsing veroorzaakt door passerende treinen.