content

Stadsverwarming

Warmtedistributie voor een deel van de stad vanuit een centraal ketelhuis, werd in Rotterdam geïntroduceerd in de winter van 1949-1950. Op die manier hoopte men smogvorming in de binnenstad tegen te gaan.

Introductie van centrale verwarming

In de loop van de negentiende eeuw veranderde er van alles in de technische uitrusting van gebouwen. Mechanische luchtverversing werd geïntroduceerd, de lift deed zijn intrede, net als de waterleiding, de gasverlichting en – niet te vergeten - de centrale verwarming. Veel van die nieuwe vindingen werden vooral toegepast in grote gebouwen zoals scholen, hotels en ziekenhuizen.

Eén van de eerste gebouwen met een centrale verwarming was het in 1851 geopende Coolsingel Ziekenhuis in Rotterdam. In het souterrain stond een installatie waarmee lucht werd verwarmd die vervolgens via gemetselde luchtkokers omhoog steeg en naar de ziekenzalen. Helemaal perfect was dit systeem niet. Omdat de lucht in de vertrekken snel afkoelde, moest er flink gestookt worden.

In woonhuizen was centrale verwarming lange tijd een luxe die alleen voor welgestelden was weggelegd. In het begin van de jaren ’60 van de twintigste eeuw had nog geen 10 procent van de woningen een centrale verwarming. In de jaren daarna veranderde dat snel. Dat had alles te maken met de opmars van aardgas als energiebron. Aardgas was relatief makkelijk in gebruik, schoon én goedkoop.

Stadsverwarming in Rotterdam

Het plotselinge succes van centrale verwarming betekende een gevoelige knauw voor de stadsverwarming. In navolging van Utrecht was Rotterdam in de winter van 1949-1950 begonnen woningen vanuit een centraal ketelhuis te voorzien van warmte. Op die manier bleef de binnenstad vrij van smog veroorzakende kolenkachels en ketels. De eerste klant van de Rotterdamse stadsverwarming was flatgebouw Pax aan de Groenendaal. Daarna groeide het aantal aansluitingen gestaag, maar erg groot werd het net niet. In 1974 waren er 2687 kleinverbruikers aangesloten en 530 grootverbruikers.

De oliecrisis van 1973 gaf stadsverwarming een nieuwe impuls, vooral omdat men er energie mee hoopte te besparen. Het gemeentebestuur wilde aansluiting op het verwarmingsnet daarom verplicht stellen. Veel Rotterdammers zagen dat niet zitten, omdat ze een hogere energierekening vreesden en gedwongen werden elektrisch te gaan koken. Voor de bewoners van nieuwbouwwijken tussen Rotterdam en Capelle aan den IJssel was er in elk geval geen keus. Hun woningen werden begin jaren ’80 allemaal aangesloten op de nieuwe warmtekrachtcentrale langs de rijksweg A20.