content

Soepkokerij

Bittere armoede was in de 19de eeuw een algemeen verschijnsel. Gelukkig waren er in die tijd veel betrokken mensen die de hiermee gepaard gaande honger wilden bestrijden. In diverse steden werd, te beginnen in 1800, gratis soep uitgedeeld, ook om de overlast van het groeiend aantal bedelaars tegen te gaan. Het ging om Rumfordse soep.

Rumfordse soep

In 1800 werd de Rumfordse soep, gebaseerd op de wetenschappelijke inzichten van de uit Massachusetts afkomstige Benjamin Thompson, graaf van Rumford, voor het eerst in Beieren gemaakt. De ingrediënten waren gort, erwten, aardappelen, wittebrood, azijn (of bier) in een bouillon van runderbeenderen. Soms werd ook rijst toegevoegd. Het nut van dit brouwsel werd door stadsbesturen aangeprezen met het argument, dat door de duurte, de toenemende armoede, het stoppen van bedrijven en de groeiende werkloosheid het leger van bedelaars hand over hand toenam. Die armen trokken dagelijks langs de huizen om een aalmoes te vragen en gaven enorm veel overlast. Om dat te voorkomen stelde men voor een paar maal per week de behoeftigste inwoners tegemoet te komen met een portie soep. De gegoede burgers van de stad kochten ‘soepkaartjes’ en deelden die gratis uit aan de armen die dan vier keer in de week soep konden halen. In emmertjes, kannen en potjes werd de soep afgehaald. Van de opbrengst van de kaartjes werd weer materiaal gekocht om soep te maken.

Eerste soepkokerij in Rotterdam

In Rotterdam werd in de strenge winter van 1800/1801 door een commissie, bestaande uit enige welgestelde burgers een begin gemaakt met de soepuitdeling. Een soepkokerij werd ingericht in het Stedelijk Lokaal aan het Grote Kerkplein, hoek Torenstraat (later Sint-Laurensstraat). Daarna werd deze verplaatst naar een leegstaande raffinaderij in de Groenendaal. Sinds 1812 was ze gevestigd in het Stadsboterhuis aan de Prinsenstraat. Deze gebouwen werden door het stadsbestuur kosteloos ter beschikking gesteld. In maart 1814 werd de soepkokerij opgeheven. De commissie besloot voortaan geld, in plaats van soep, uit te delen. Deze verandering bleek niet van lange duur te zijn, want in 1816 werd de soepkokerij in ere hersteld.

Soepuitdeling vanaf 1826

In november 1817 werd door het gemeentebestuur aan de commissie gevraagd zich permanent met het werk van de soepuitdeling te belasten. Aan dit verzoek heeft de commissie eerst in 1826 gehoor gegeven. Vanaf dat jaar vond er iedere winter een soepuitdeling plaats. De commissie gaf kaarten uit die recht gaven op 36 porties soep. Deze kaarten werden tegen een vaste prijs verkocht. In later tijd waren ook afzonderlijke porties verkrijgbaar, terwijl het overschot van de soep werd uitgedeeld aan hongerige personen die niet in het bezit van een bon waren. Soepketels met een inhoud van zo’n 1000 liter, goed voor 2000 porties soep van 1 liter, waren niet ongebruikelijk. De ketels werden geplaatst bovenin gemetselde ovens die op turf werden gestookt. Op de ketels lagen houten deksels om de soep warm te houden.

De soepuitdeling had nog tot na de Eerste Wereldoorlog jaarlijks plaats. Voor het laatst geschiedde dit in 1920. Daarna werd Rumfordse soep alelen nog bereid als voedsel voor militairen.