content

Provo-happenings bij Fikkie (1966)

Ludieke bijeenkomsten van jongeren bij het hondenstandbeeldje Fikkie in het Hermesplantsoen; leidden net als in Amsterdam enkele keren tot hardhandig optreden van de politie.

Herkomst

Op zaterdagavond 15 mei 1966 verzamelden zich voor het eerst enkele honderden jongeren rond het hondenstandbeeldje Fikkie in het Hermesplantsoen - volgens een krant ‘op een uur dat ze allang bij moeders thuis hadden moeten zijn’. Ze organiseerden er een happening, een fenomeen dat is komen overwaaien uit Amsterdam.

In de hoofdstad trokken anti-rookmagiër Karel Jasper Grootveld en de provobeweging veel aandacht met hun ludieke bijeenkomsten op het Spui. Rotterdam had sinds november 1965 ook een eigen provobeweging. De Rotterdamse evenknie van Grootveld was anti-verkeersmagiër Thom Jaspers, die allerlei acties verzon tegen het vervuilende verkeer.

Reactie autoriteiten

De bijeenkomst van het Rotterdamse ‘provotariaat’ bij Fikkie liep al na een kwartier uit de hand. Enkele jongeren begonnen dan leuzen te roepen tegen het Amerikaanse optreden in Vietnam. Ook werden bij het beeldje kranten aangestoken. Toen een deel van de menigte geen gehoor gaf aan de oproep om door te lopen, greep de politie in. Vierentwintig jongeren tussen de 18 en 24 jaar werden opgepakt. De volgende dag – een zondag – werden de meerderjarigen tijdens een openbare zitting tot enkele dagen gevangenisstraf veroordeeld. De rechter veronderstelde dat de happenings nu wel zouden ophouden.

Een week later werden op dezelfde plek weer tweeëntwintig jongeren gearresteerd, onder wie enkele meisjes. En in het najaar lieten de Rotterdamse provo’s van zich horen op huishoudbeurs Femina. Van burgemeester Thomassen en wethouder van Sociale Zaken de Vos, die er spreekuur hielden, eisten ze een eigen plek in de stad. Zelf dachten de provo’s dat een atoombunker wel geschikt zou zijn. ‘Waarom maken we van die dure schuilkelders geen beatkelders? Ze worden toch niet gebruikt’.

Einde Rotterdamse Provo-beweging

Een schuilkelder kregen ze uiteindelijk niet, wel een oude opslagruimte onder de oprit van de Willemsbrug. In de zomer van 1967 ging het nieuwe honk open voor publiek. In het begin waren er geruchten over seksuele uitspattingen en drugsgebruik. Maar na een jaar constateerde het Rotterdamsch Nieuwsblad dat de beatkelder – ‘een van de weinige concrete resultaten van de Rotterdamse provobeweging’ – een rustig clubhuis was geworden.