content

Petrochemische industrie in Rotterdam

De industrie die zich bezighoudt met de verwerking van aardolie ontstond rond 1900 uit de oliehandel die geconcentreerd was in het gebied rond de Sluisjesdijk. Vanwege de beperkte uitbreidingsmogelijkheden verhuisden de oliemaatschappijen in de jaren '30 naar Pernis.

Tot de jaren dertig van de twintigste eeuw was het gebied rond de Sluisjesdijk in Charlois het hart van de Rotterdamse petrochemische industrie. Hier had onder andere de voorganger van Esso, de American Petroleum Company, zijn loodsen, opslagtanks en werkplaatsen. En op de kop stond de raffinaderij van de Koninklijke Maatschappij tot Exploitatie van Oliebronnen in Nederlands-Indië, tegenwoordig beter bekend als Shell. Ruwe olie die met tankschepen vanuit de koloniën was aangevoerd, werd hier verwerkt.

Aanleg Eerste en Tweede Petroleumhaven

De mogelijkheden tot uitbreiding waren op deze plek beperkt. Daarom keken de oliemaatschappijen met argusogen naar de plannen van de gemeente om de haven in westelijke richting uit te breiden. De eerste discussies daarvoor begonnen al in 1913, toen de directeur van Gemeentewerken Burgdorffer met een ambitieus voorstel kwam voor een reeks nieuwe havens ten zuiden van de Nieuwe Maas. Onderdeel van het plan was een petroleumhaven, waar op termijn alle oliemaatschappijen naar toe moesten verhuizen. Daarvoor zou Rotterdam overigens wel Pernis en ook een groot gedeelte van Hoogvliet, Rhoon en Poortugaal moeten annexeren. Mede door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ging dít plan niet door, maar de behoefte van de oliebedrijven aan meer ruimte bleef. Vooral de directeur van de ‘Koninklijke’ Henri Deterding drong aan op actie. In 1930 gaf de gemeenteraad van Pernis de grote buur toestemming om een petroleumhaven aan te leggen bij de Vondelingenplaat. Rotterdam moest wel zorgen voor het politietoezicht en de gezondheidszorg in het gebied. Bovendien was Rotterdam verantwoordelijk voor de brandveiligheid. Pernis verleende de vergunning in de verwachting dat het dorp op korte termijn geannexeerd zou worden. In 1934 werd de inlijving van Pernis – en Hoogvliet – inderdaad een feit. De Eerste Petroleumhaven bleek een doorslaand succes. Binnen enkele jaren waren de terreinen rond de nieuwe haven allemaal bezet. Omdat de aanvragen voor een plek daarna nog bleven binnenstromen, werd eind jaren ’30 ten oosten van de bestaande een tweede petroleumhaven aangelegd.

Aanleg Botlekgebied

Na de oorlog werd op het eiland Rozenburg de Derde Petroleumhaven aangelegd. Eén van de bedrijven die in dit nieuwe Botlekgebied vestigde was Vopak. Eén van de rechtsvoorgangers van Vopak, de firma Pakhuismeesteren, was ooit in de negentiende eeuw begonnen met oliehandel in Rotterdam-Zuid. In 2000 verkocht Vopak zijn terminal in het Botlekgebied aan het Noorse Odfjell. De Derde Petroleumhaven was overigens de laatste in zijn soort. Voor de aanvoer van olie- en chemieproducten werden steeds grotere tankerschepen gebruikt. Bovendien maakte de afvoer per Rijnschip langzamerhand plaats voor transport via pijpleidingen. Daarvoor waren andere en vooral diepere havens nodig. Die kwamen in Europoort en bij de Maasvlakte, die overigens ook allemaal Petroleumhaven worden genoemd. In totaal heeft Rotterdam er nu acht.