content

Natuurhistorisch Museum Rotterdam

Natuurmuseum in Rotterdam, opgericht in 1927. Het museum is sinds 1987 gevestigd in Villa Dijkzigt aan de Westzeedijk.

Eerste jaren

De Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging afdeling Rotterdam richtte in 1922 de Vereeniging tot Oprichting en Instandhouding van een Natuurhistorisch Museum op. In 1927 werd het Natuurhistorisch Museum een feit. Een van de oprichters was A.B. van Deinse (1885-1965), leraar ‘natuurlijke historie’ aan het Erasmiaans Gymnasium en kenner van zeezoogdieren, vooral van walvissen. Het gemeentebestuur stelde een schoollokaal op de Schiedamsesingel ter beschikking waar de verzameling werd ondergebracht. Omdat de locatie al na een jaar te klein bleek, kreeg het een aantal vertrekken in een school aan de Westzeedijk. De collectie bestond toen voornamelijk uit inlandse verzamelingen van vogels, vleermuizen, eieren, vlinders, mieren en schelpen, naast een uitgebreide verzameling buitenlandse schelpen en een collectie tropische dagvlinders.

Jaren dertig

In 1933 brak er in een van de naastgelegen panden brand uit. Het bluswater zorgde voor grote schade aan de kever-, mieren- en tropische vlindercollecties. Het museum verhuisde vervolgens naar een school in de Dirk Smitsstraat. Dankzij particulieren die hun verzamelingen afstonden, kon het museum weer draaien. Maar de grootste aanzet naar een ‘echt’ museum kwam in 1934 toen burgemeester P. Droogleever Fortuyn het legaat Hoffman toewees. Wethouder van onderwijs, N.J.A.C.A. Hoffman, had in 1882 de gemeente een legaat van 38.000 gulden nagelaten. Het bestond uit de inkomsten die Hoffman gedurende zijn loopbaan als wethouder had ontvangen. Na overlijden van Hoffmans echtgenote kwam het legaat, inmiddels 60.000 gulden, vrij. De Vereeniging tot Oprichting kocht voor 43.000 gulden een villa aan de Mathenesserlaan en op 2 juli 1935 werd het Natuurhistorisch Museum Hoffman geopend. De verbouwing had nagenoeg al het geld opgeslokt en door de economische crisis kon men niet rekenen op financiële steun van buitenaf, zodat de collectie niet kon worden uitgebreid. De Stichting Bevordering van Volkskracht bood uitkomst. Door haar bemiddeling verwierf het museum een belangrijke collectie Molukse schelpen en een collectie Nederlandse vogels.

Na de Tweede Wereldoorlog

Noodgedwongen verhuisde het museum in 1960 naar het excentrisch gelegen spaarbankgebouw aan de Kastanjesingel in Schiebroek, wat nadelig uitpakte voor de bezoekersaantallen. In 1973 kreeg het museum een plek in het dioramagebouw in Diergaarde Blijdorp. Bij een brand in het dioramagebouw in 1987 ging opnieuw een deel van de collectie verloren. In 1988 verhuisde het Natuurhistorisch Museum naar Villa Dijkzigt – het voormalige woonhuis van de familie Van Hoboken – aan de Westzeedijk en werd de naam gewijzigd in Natuurmuseum Rotterdam. In 2006 werd die naam weer veranderd in Natuurhistorisch Museum Rotterdam waarmee het museum het historisch perspectief van de collectie wil benadrukken.

Bijzondere objecten

Bijzonder in de collectie zijn de twee exemplaren van de ralreiger die in 1859 op Schollevaarseiland (nu Zevenkamp) werden gevangen en die inmiddels als broedvogel uit Nederland is verdwenen. Andere bezienswaardigheden zijn het ‘Kabinet van Deinse’ dat sinds 1965 in het museum wordt tentoongesteld en het skelet van de Aziatische olifant Ramon dat sinds 2005 staat opgesteld.