content

Museum Boijmans Van Beuningen

Museum voor beeldende kunst in Rotterdam. Het ontstond dankzij het legaat van de Rotterdamse verzamelaar Boijmans (1767-1847) aan de stad Rotterdam. In 1958 werd de collectie van de havenbaron van Beuningen (1877-1955) aan het museum toegevoegd. Het museum kreeg toen ook de huidige naam.

Kunstverzameling Boijmans

In 1847 schonk de collectioneur Mr. F.J.O. Boijmans zijn bezit, waaronder zijn omvangrijke kunstverzameling, aan de stad Rotterdam. Boijmans, die jurist en rechter te Utrecht was, verbond aan zijn legaat de voorwaarde dat zijn verzameling gebruikt zou worden voor het oprichten van een museum dat naar hem zou moeten worden genoemd. Hij bepaalde dat zijn familiewapen boven de ingang van de eerste zaal zou worden gehangen. Er zou entreegeld geheven worden waarvan de opbrengst gebruikt zou worden voor het fonds van jeugdige gevangenen van de stad Rotterdam.

Gemeente Rotterdam

Boijmans had al tijdens de onderhandelingen over zijn legaat met burgemeester Mr. Bichon van IJsselmonde bedongen dat zijn verzameling in een waardig gebouw gehuisvest zou worden. Hierom had de gemeente al in 1841 het voormalige Gemeenelandshuis van Schieland, kortweg Het Schielandshuis, gekocht. Na taxatie en inventarisatie van Boijmans' collectie door vader en zoon A. en A. J. Lamme , beiden kunsthandelaar en schilder, aanvaardde de gemeenteraad op 24 augustus 1847 de erfenis van Boijmans. Boijmans was datzelfde jaar op 19 juni overleden. De collectie bestond uit schilderijen, tekeningen, prenten en porselein ter waarde van meer dan honderdduizend gulden.

Het beheer

De gemeenteraad benoemde op 9 december 1847 een commissie van vier raadsleden tot voorbereiding van het museum. De heren Lamme werd gevraagd de kunstwerken te sorteren, schoon te maken, te restaureren en te catalogiseren. Van de elfhonderddrieënnegentig schilderijen werden er uiteindelijk slechts vierhonderdzes geplaatst, de geschikt beoordeelde tekeningen en prenten bleven grotendeels in portefeuille. De rest, het uitschot van Boijmans genoemd, werd naderhand op veilingen van de heren Lamme verkocht. De opbrengst werd in een fonds voor nieuwe aankopen gestort. Op dinsdag 3 juli 1849 werd het museum zonder enige plechtigheid geopend. De heren Lamme, nog bezig met het op orde brengen van de collectie, zouden voorlopig kosteloos het toezicht op het museum houden.

Museumcommissie

Pas op 10 juni 1852 kwam er een verordening op het museum, waarin werd bepaald dat er een commissie voor het Museum Boijmans zou komen bestaande uit de burgemeester (voorzitter), twee wethouders, twee raadsleden en twee leden uit de burgerij. Tot directeur werd benoemd A. J. Lamme, toen veertig jaar oud. De taken en bevoegdheden van de commissie en de directeur waren in de verordening opgenomen. De taak van de commissie bestond uit:
* toezicht houden op de kunstwerken en voorwerpen;
* zorg voor de naleving van de door de gemeenteraad gemaakte bepalingen t.o.v. de openbare bezichtiging en de gevorderde toegangsgelden; * toezicht op alle ontvangsten en uitgaven betreffende het museum; * voorstellen doen aan de gemeenteraad betreffende het belang van het museum. * benoeming van de suppoosten; * indienen van de rekening aan de gemeenteraad.

Directeur

Met betrekking tot de directeur werd bepaald dat hij een deskundige in de beeldende kunst moest zijn, dat hij zijn betrekking uit belangstelling - onbetaald - zou waarnemen. Ten slotte moest hij door de gemeenteraad op voordracht van de commissie benoemd worden voor vier jaar, waarna hij herkiesbaar zou zijn. De taken van de directeur bestonden uit: 1) onderhoud van de kunstwerken onder toezicht van de Commissie; 2) de Commissie van bericht en raad dienen met betrekking tot het museum; 3) voorstellen aan de commissie te doen die hij in het belang van het museum acht.

Uitbreiding taken

Belangrijke wijzigingen vonden plaats in 1879 na het overlijden van de tweede directeur van het museum, de heer D.A. Lamme. De bepaling dat de directeur door de commissie voor benoeming werd voorgedragen, kwam te vervallen. In plaats daarvan moest de commissie voortaan een voordracht maken van drie personen, waar de gemeenteraad de directeur uit koos. De directeur zou voortaan een jaarsalaris genieten, te bepalen door de gemeenteraad op voorstel van de commissie. Het jaargeld werd in 1879 vastgesteld op zeshonderd gulden. De instructie van de directeur zou worden vastgesteld door de commissie onder goedkeuring van B en W. Tenslotte diende de directeur een jaarverslag uit te brengen betreffende de toestand van het museum. Tot dan toe werd dit gedaan door de secretaris van de commissie. In 1903 werd de verordening opnieuw gewijzigd onder andere met betrekking tot de woonplaats van de directeur. Dat zou voortaan Rotterdam moeten zijn. In 1925 en 1929 kwamen er wijzigingen wat betreft de samenstelling van de commissie. Het aantal leden uit de burgerij werd verhoogd van twee tot drie en zelfs vier.

Bevoegdheden

Geleidelijk aan stond de commissie meer en meer bevoegdheden af aan de directeur. De directeur kreeg, eerst officieus later ook officieel, meer verantwoordelijkheid, ook in financieel opzicht. Een verordening ingegaan op 1 januari 1934 belastte hem met het beheer van het museum onder toezicht van de commissie. Hij werd tevens belast met de ontvangsten en uitgaven betreffende het museum. De directeur werd ook secretaris van de commissie. De commissie bleef wel de jaarrekening en de begroting bij de gemeenteraad indienen. Volgens de instructies voor de directeuren van 1947 mocht hij tot een bedrag van tweeduizend gulden zonder machtiging van de commissie aankopen doen voor het dagelijkse beheer en voor de uitbreiding van de verzameling.

Naamsverandering

Aangezien de commissie sinds 1933 ook toezicht hield op het Museum van Oudheden was de naam veranderd in: commissie van toezicht op het Museum Boijmans en het Museum van Oudheden. Op 30 juni 1944 werd bij besluit van de burgemeester de verordening betreffende de commissie van toezicht ingetrokken en daarmee dus opgeheven. De directeur stond toen rechtstreeks onder toezicht van de burgemeester. In december 1945 werd deze intrekking weer ongedaan gemaakt. In 1948 kreeg het museum weer een eigen commissie: de commissie van toezicht op het Museum Boijmans. Dit gold ook voor het Museum van Oudheden, vanaf 1948 het Historisch Museum geheten. Museum Boijmans Van Beuningen Gedurende de periode 1933-1952 trad de directeur van het Museum Boijmans op als waarnemend directeur van dit museum. In december 1958 werd de naam van het museum na de aankoop van de collectie Van Beuningen veranderd in Museum Boijmans Van Beuningen. De heer D.G. van Beuningen had sinds de jaren dertig aan het museum belangrijke schenkingen gedaan. De gemeente bepaalde in 1960 dat de burgemeester niet langer automatisch lid en voorzitter van de commissie was, maar een van de leden van het college van B en W. De voorzitter van de commissie werd voortaan door dit college uit zijn midden gekozen.

Gebouwen

Het museum was van 1849 tot 1935 gevestigd in Het Schielandshuis aan de Korte Hoogstraat. In de nacht van 15 op 16 februari 1864 brandde Het Schielandshuis af. De oorzaak was het springen van de gasleiding in de vloer van de in hetzelfde gebouw gevestigde Academie voor Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen. De brand ontstond onder de vertrekken met de tekeningen en het porselein van het museum. Alle porselein, etsen, prenten en meubelen gingen verloren. Van de gehele collectie werden slechts achttien omslagen met tekeningen en honderdzevenentachtig schilderijen gered. De verzekering keerde een bedrag van meer dan honderdzesendertigduizend gulden uit voor vervanging. De gemeenteraad besloot het geld te gebruiken voor een afzonderlijk fonds voor de aankoop van schilderijen. Over dit speciale fonds der assurantiepenningen moesten B en W jaarlijks verantwoording afleggen aan de raad. Na restauratie van het gebouw werd het museum op 8 augustus 1867 heropend.

Vrijgekomen ruimte

Doordat veel kunstvoorwerpen verloren waren gegaan in de brand, was er ruimte vrij gekomen in Het Schielandshuis. De gemeenteraad stelde die ruimte in 1868 beschikbaar voor het archief van de gemeente. Toen het gemeentearchief in het jaar 1900 een geheel nieuwe behuizing aan de Mathenesserlaan in de wijk Middelland kon betrekken, bleef de verzameling stedelijke oudheden en de gemeentelijke bibliotheek in Het Schielandshuis achter. Voor beiden was in die tijd de gemeentearchivaris verantwoordelijk. De bibliotheek werd in 1905 een zelfstandige instelling met een bibliothecaris als directeur en betrok in 1907 een eigen gebouw aan het Van Hoogendorpplein, tegenwoordig Churchillplein. De verzameling oudheden, later het Museum van Oudheden en thans het Historisch Museum geheten, kreeg in 1910 een eigen directeur, maar bleef in Het Schielandshuis zitten.

Nieuw museum

In 1935 verhuisde het Museum Boijmans naar een nieuw onderkomen op het terrein van het voormalige landgoed van de familie Van Hoboken (Dijkzigt). Dit nieuwe museum werd volgens de opvattingen van directeur D. Hannema gebouwd door de architect A. van der Steur. Vanaf 1954 tot eind jaren zestig werd, onder leiding van de architect A. Bodon, het gebouw uitgebreidt. De directeur J.C. Ebbinge Wubben trad als bouwheer op. De zogenaamde nieuwe vleugel werd in 1972 geopend

Schenkingen

In de twintigste eeuw werd de collectie van het Museum Boijmans door nieuwe aankopen en door schenkingen gestaag uitgebreid. Verschillende stichtingen droegen bij aan de bloei van het museum. In 1958 werd de collectie van Daniël George van Beuningen (1877-1955) aan het museum toegevoegd. Daarmee verkreeg het museum ook de huidige naam.

Andere schenkingen van particulieren zorgden voor belangrijke bijdragen aan het museum en aan de uitbreiding van zijn collectie. Zo werd de nieuwbouw van het museum in 1935 gefinancierd door aanwending van het legaat van G.W. Burger uit 1916. De collecties werden aangevuld of uitgebreid dankzij schenkingen en legaten van onder meer: 1. J.P. van der Schilden en dr. E. van Rijckevorsel (kunstnijverheid); 2. A.J. Domela Nieuwenhuis (schilderijen); 3. dr. J.C.J. Bierens de Haan (grafiek); 4. D.G. van Beuningen en W. van der Vorm (schilderijen en grafiek).

Stichting Museum Boijmans

Voor de financiering van aankopen deed het museum vaak met succes een beroep op de goedgeefsheid van kapitaalkrachtige, kunstminnende stadgenoten. In 1939 verenigden deze ‘vrienden’ van het museum zich in de Stichting Museum Boijmans. Het doel was het tot bloei brengen van het museum, onder meer door het aankopen van kunstwerken, het bevorderen van bezoek, het organiseren van tentoonstellingen; kortom alles wat met het voorgaande in de ruimste zin verband houdt. Het bestuur bestond uit: de burgemeester, die tevens voorzitter was; een rijksambtenaar; een bestuurslid van de vereniging Rembrandt en particulieren uit Rotterdam. Deze eerste bestuursleden uit de burgerij waren: 1. H. van Beek; 2. D.G. van Beuningen; 3. A.J.M. Goudriaan; 4. C.W.F.P. Baron Sweers de Landas Wyborgh; 5. W. van der Vorm; 6. D. Hannema.

Later trad directeur Hannema op als secretaris van de Stichting. Op 17 oktober 1961 werd de naam van de stichting veranderd in Stichting Museum Boijmans Van Beuningen.

Stichting voor Grafische Kunst Lucas van Leyden

Dr. J.C.J. Bierens de Haan (1867-1951) verrijkte sinds de jaren dertig het museum jaarlijks met schenkingen van grote aantallen prenten en boeken. In 1936 richtte hij, om belastingtechnische redenen, voor dit doel de Stichting voor Grafische Kunst Lucas van Leyden op. Na zijn dood in 1951 legateerde hij aan de gemeente Rotterdam ten behoeve van het museum deze stichting, die een grote collectie prenten beheerde. Een uitgebreide bibliotheek en een groot kapitaal maakten eveneens deel uit van dit legaat. De commissie van toezicht op het Museum Boijmans werd met het bestuur en het geldelijke beheer van de Lucas van Leydenstichting belast. Aan de directeur van het museum werden bepaalde beheerbevoegdheden en plichten toegekend, respectievelijk opgelegd.

Het archief

Uit de samenstelling van het directiearchief blijkt duidelijk dat iedere directeur zijn eigen manier van archiveren had. De eerste twee directeuren, A.J. en A.D. Lamme, lieten nauwelijks archiefstukken achter. Het is tekenend voor de situatie dat het in die tijd de museumcommissie was, die het jaarverslag uitbracht. In 1879 kwam hierin verandering. In dat jaar wordt de adjunct-archivaris van de gemeente Rotterdam, F.D.O. Obreen, directeur van het Museum Boijmans. Vanaf dat jaar brengt de directeur het jaarverslag uit en wordt er gearchiveerd. Zijn opvolger, Haverkorn van Rijsewijk, volgde dat voorbeeld. Hij bepaalde de uiteindelijke ordening van het archief, daarom heeft dit archiefbestanddeel bij Museum Boijmans de naam archief Haverkorn van Rijsewijk gekregen.

Inventaris

Uit de periode 1909-1921 zijn naar verhouding weinig archiefstukken bewaard gebleven. Blijkbaar zag de toenmalige directeur, Schmidt Degener, het belang van een goed archiefbeheer niet in. Het is aannemelijk dat de opvolger van Schmidt Degener, Hannema de - schaarse - archivalia min of meer geordend heeft. Hij heeft echter niet voortgebouwd op het ordeningssysteem van Obreen en Haverkorn van Rijsewijk, zoals duidelijk blijkt uit de aanwezigheid van een serie zogenaamde algemene correspondentie. Dit maakte het noodzakelijk een splitsing in de inventaris aan te brengen met het jaar 1908 als grens. De slechte archiefzorg in de periode Schmidt Degener is er ongetwijfeld debet aan dat er een vermenging plaats gevonden heeft van de stukken van de commissie met de stukken van de directeur, vooral in de algemene correspondentie.

Literatuur
Toegangsnummer: 181, Archieftitel: Museum Boijmans Van Beuningen (ook Boymans)