content

Kralingse Plas

Een water in de wijk Kralingen dat is ontstaan door de winning van veengrond voor turf. Bij Rotterdammers een geliefd recreatiegebied.

Veenplassen

Het oorspronkelijke dorp Kralingen lag aan de Veenweg, die liep van de begraafplaats Oud Kralingen tot aan de Kralingse Plas. In de zeventiende eeuw groeide de welvaart van Kralingen door een stijgende behoefte aan brandstof. De vraag ontstond vanwege de bevolkingstoename, de ontwikkeling van de baksteenindustrie en de vervaardiging van Goudse pijpen. De veenlagen rond Kralingen leverden uitstekende turf. Door de afgraving van het veen ontstonden er steeds meer plassen en er bleef steeds minder plaats over voor bewoning. Bovendien werden tijdens stormen de oevers van de veenplassen door de sterke golfslag steeds meer weggeslagen zodat de plassen steeds groter werden.

Dorp Kralingen verhuist

Uiteindelijk was er in het oorspronkelijke Kralingen nog maar een zeer smalle strook voor bewoning over en noodgedwongen verhuisden de inwoners. Het dorp verplaatste zich begin achttiende eeuw naar het zuid-westen, in de omgeving van de kruising Kortekade, Oudedijk, ’s Gravenweg en Hoflaan. Daar ontstond het nieuwe Kralingen, het huidige dorp. In 1841 werd de nieuwe kerk aan de Hoflaan ingewijd en in 1844 werd de kerk van het oude Kralingen gesloopt. De hele noordkant van de ’s Gravenweg was destijds bebouwd met buitenplaatsen. Achter deze bebouwing lag dus het grote plassengebied. De plassen waren gescheiden door kaden. Daaraan herinneren nog de straatnamen zoals Kortekade en Langekade. De plassen droegen namen als Ommoordplas, Wollefoppenplas, Blaardorpseplas, kleine Zuidplas enzovoort. De grootste plas was de grote Zuidplas waaraan dorpen als Waddinxveen, Moerkapelle, Nieuwerkerk en Moordrecht lagen.

Noordplas

In de tweede helft van de negentiende eeuw begon men met het droogleggen van die plassen. Vooral voor de drooglegging van de enorme watervlakte van de Zuidplas moet dat een staaltje van technisch kunnen zijn geweest. De enige plas die de dans ontsprong was de Noordplas. Na de annexatie van Kralingen door Rotterdam in 1895 is ze de Kralingse Plas gaan heten. Op verzoek van welgestelde Rotterdammers die er hun buitenhuizen hadden, en vooral door de invloed van J. Madry, eigenaar en bewoner van de buitenplaats “Rozenburg’, bleef de Noordplas gespaard. Zo ontstond een poldergebied met één grote plas: de Kralingse Plas.

Recreatiegebied

Het karakter van de Kralingse Plas veranderde door de aanleg van het Kralingse Bos. Naar een idee van G.J. de Jongh, directeur Gemeentewerken, werd in 1906 de uitgegraven grond uit de Waalhaven gestort rond de Kralingse Plas. Dat was het begin van het Kralingse Bos, waarmee de Kralingse Plas een recreatiegebied werd. De Plas was goed geschikt voor het houden van zeilwedstrijden en er werden dan ook verschillende zeilverenigingen opgericht zoals de Zeilvereniging Kralingen (1908), de Rotterdamsche Zeilvereniging (1912), de Kralingse Zeil Club (1915) en Vriendschap Zij Ons Doel (1926). Vanaf die tijd werden de Kralingse zeilweken een begrip. Naast de verschillende zeilverenigingen had de in 1851 opgerichte Roei- en Zeilvereniging De Maas aan de Kralingse Plas een dependance voor de jeugdzeilers en vonden er ook nog twee kanoclubs onderdak.

Groenstrook op oorlogspuin

Na het bombardement van 14 mei 1940 werd de Kralingse Plas gebruikt als een van de stortplaatsen voor het puin uit de verwoeste binnenstad. De brede groenstrook die nu tussen de Kralingse Plaslaan en het water ligt, is aangelegd op de brokstukken van de stad. Toen in de jaren vijftig ook de oostkant werd beplant met bomen, kregen de plas en het bos het aanzicht dat we nu kennen. Bij Rotterdamse (hard)lopers is het ‘rondje Kralingse Plas’ van ongeveer 5 kilometer een begrip.