content

Koos Speenhoff (1869-1945)

Dichter-zanger, had vooral in het begin van de 20ste eeuw veel succes met cabaretliedjes als Het broekje voor Jantje en De schutters.

Jacobus Hendrikus de Jager (gewettigd bij huwelijk van ouders in 1872) werd op 23 oktober 1869 in Kralingen (Rotterdam) geboren. Hij groeide op in Krimpen aan de Lek in een weinig harmonieus milieu. Zijn vader Jacob Speenhoff was fabrikant van isoleermateriaal en een vooraanstaand koopman, terwijl zijn moeder Magdalena de Jager een eenvoudige volksvrouw was. Speenhoffs vader hoopte dat zijn enige zoon hem als ingenieur in de fabriek op zou volgen, maar na een onvoltooide HBS-opleiding en een korte loopbaan bij de marine en in zijn vaders bedrijf, vertrok Speenhoff omstreeks 1895 naar Rotterdam.

Cabaret

In het ‘Montmarte aan de Maas’ maakte hij prentjes, gedichten en liedjes en bewoog zich in het artistieke milieu. Aangemoedigd door zijn vrienden, waaronder de schilder Kees van Dongen, maakte hij het schrijven en zingen van liedjes tot zijn beroep. In 1902 debuteerde Speenhoff als dichter-zanger in de Rotterdamse Tivoli-Schouwburg en werd overrompeld door het onverwachte succes dat hij snel in heel Nederland kreeg. Zowel arbeiders als intellectuelen herkenden veel in zijn sociaal bewogen en hekelende volkspoëzie. Als een soort actuele troubadour zong hij in een zwarte, geklede jas en ondersteund door zijn gitaar, klassiek geworden cabaretliedjes als Moeders brief, Opoe, Het broekje voor Jantje, De schutters en het Polderlied, waarin hij de afbraak van het Zandstraatkwartier hekelde. Na zijn huwelijk met de zangeres Alexandrina Cesarina Julia Prinz, waaruit een zoon en twee dochters geboren werd, trad het echtpaar ook met succes als duo op.

Faillissement

In de jaren twintig begon Speenhoffs roem en populariteit te tanen. Hij werd niet veel meer gevraagd en het publiek bleef weg, wat in 1927 leidde tot een faillissement van het echtpaar Speenhoff. De afname van zijn populariteit had mede te maken met de veranderende houding van Speenhoff zelf. Hij was steeds minder de linkse volksdichter van voorheen en streefde zelf meer naar de burgerlijke deftigheid die hij eens zo scherp veroordeeld had in zijn poëzie.

Laatste jaren

De laatste jaren schreef Speenhoff nog artikelen voor het Rotterdamsch Nieuwsblad en De Groene Amsterdammer. Op 3 maart 1945 kwam hij om het leven tijdens het Engelse bombardement van het Haagse Bezuidenhout. In de Rotterdamse Oude Binnenweg, voor Boekhandel Van Gennep, staat een standbeeld van deze pionier van het Nederlandse cabaret.

Literatuur
Interbellum Rotterdam: kunst en cultuur 1918-1940 onder redactie van Marlite Halbertsma, Patricia van Ulzen, Rotterdam 2001 Alex de Haas, ’t Was anders. Leven en levenskring van ‘De heer J.H. Speenhoff, dichter-zanger’ 1869-1945, Rotterdam 1971 Alex de Haas, ‘J.H. Speenhoff, 1869-1945’ in Bekende Rotterdammers door hun stadsgenoten beschreven, Rotterdam 1951, 134-138