content

Hofje uit Liefde en Voorzorg

Het hofje Uit liefde en Voorzorg werd in 1794 gesticht uit de nalatenschap van de zusters Alida en Maria de Koker. Het hofje, oorspronkelijk gevestigd aan de Schiedamschesingel, bood plaats aan drieëntwintig bejaarde vrouwen van alle christelijke gezindten. In 1904 werd het overgeplaatst naar een nieuw terrein aan de Voorschoterlaan.

Testament

Alida en Maria de Koker passeerden op 30 juli 1782 voor notaris Westerbaan een mutueel testament waarin zij een bedrag van dertigduizend gulden reserveerden voor de bouw van een hofje. Een naam voor het hofje werd niet specifiek genoemd, maar hun eigen naam eraan verbinden wilden de dames niet. Het hofje moest openstaan voor christenen van alle gezindten, met enige voorkeur voor Collegianten, Remonstranten en Doopsgezinden. De regenten moeten ook uit deze groepen gekozen worden. Op 21 september 1782 werkten de dames in een codicil hun ideeën verder uit: het hofje moest op een goede plek in de stad komen (en anders daar in de buurt) en bestaan uit dertig of vijfendertig huisjes. Het resterende geldbedrag moest aan de bewoonsters besteed worden door middel van uitdelingen van turf, brood, boter of geld. Na het overlijden van Maria op 3 oktober 1783 gaf Alida nog herhaalde malen aanwijzingen over de bestemming van haar geld. Interessant was haar mededeling van 8 februari 1786 dat de te bouwen woningen wat groter moesten zijn dan die in het (al) gebouwde hofje van neef Gerrit. Elk huisje moest een gootsteen en wat bergruimte hebben en, vooral, de bedstee moest ruimer.

Bouw van het Hofje

Nadat Alida op 14 augustus 1794 overleden was, kwamen de executeurs, die tevens regenten werden, daags na de begrafenis op 19 augustus voor het eerst bijeen. Al snel bleek dat ten gevolge van de economische omstandigheden het voor de bouw beschikbare kapitaal onvoldoende was om volledig aan de verlangens van de oprichtsters te voldoen. Na rechtskundig advies te hebben ingewonnen concludeerden de executeurs dat de bepalingen over de opbouw van het hofje geen bindende kracht hadden. Ze besloten een hofje van vierentwintig woningen te bouwen; één voor de opzichter (ook een vrouw) en drieëntwintig voor de eigenlijke bewoonsters. Grond werd gevonden aan de Schiedamsesingel even buiten de stad. Het terrein had tot de oude buitenplaats Concordia van de overleden burgemeester Johan Hendrik van der Does behoord. De grond werd op 17 januari 1795 voor elfduizend gulden aan de executeuren overgedragen. Ze lieten er een rij huisjes in U-vorm bouwen, door een hek van de straat gescheiden. De bouw vond plaats onder leiding van baastimmerman Jan Wap, het metselwerk werd aangenomen door L. van Waasdijk. Op 5 oktober 1795 werd een opzichter aangesteld; omstreeks die datum moest de bouw dus wel voltooid zijn geweest.

Voorwaarden voor bewoning

Om een woning in het hofje te betrekken, mochten potentiële inwoonsters bij hun opname niet ouder zijn dan 68 jaar, ze moesten redelijk gezond zijn en niet armlastig. Als inwoonsters te zeer hulpbehoevend werden, moesten ze het hofje verlaten. Regenten gaven wel in natura of geld tegemoetkomingen in de kosten van levensonderhoud en ook wel medische verzorging. Dit alles was echter afhankelijk van de financiële positie, die meestal niet bijzonder veel toeliet. Het in 1815 ontvangen legaat van tienduizend gulden van Yda de Koker, bedoelt om de inwoonsters de moeilijke wintermaanden door te helpen, bracht daarin weinig verandering.

Bestuur

Het regentencollege vulde zich zelf aan. Wanneer een nieuwe regent was benoemd, werd onmiddellijk een opvolger gekozen voor de eerstkomende vrije plaats. De gekozene werd echter pas uitgenodigd wanneer inderdaad een plaats was vrijgekomen. In de benoemingsprocedure zijn in de loop van de tijd wel veranderingen gekomen. Zo werd door het verdwijnen van de stroming van de Collegianten in 1834 bepaald dat het college voortaan zou bestaan uit twee remonstranten en één doopsgezinde. In de twintigste eeuw namen de echtgenoten van de regenten een deel van de taken over. Voor de dagelijkse gang van zaken was de opzichter samen met haar man verantwoordelijk. Later kwam daar een verpleegster bij, totdat een verpleegster tevens de functie van opzichter kreeg.

Verhuizing

Het gebouw aan de Schiedamsesingel was in het laatste kwart van de negentiende eeuw niet meer in goede conditie. In 1887 komen er plannen om de aangrenzende blekerij in verband met een bebouwing op te hogen. De regenten verwachten een toenemende wateroverlast en wilden daarom de mogelijkheid van nieuwbouw onderzoeken. Het duurde echter nog tot 1902, voordat die plannen serieuzer ter hand genomen werden. De architect Gerrit Pelt ontwierp een nieuw hofje en kreeg de opdracht een geschikt terrein te zoeken. De grond werd gevonden aan de Voorschoterlaan en voor ruim vijfendertigduizend gulden aangekocht. De firma Van Hattem & Zn nam de bouw aan voor zevenenvijftig duizend gulden. De bouw werd in juni 1904 voltooid. Midden september van dat jaar vond de verhuizing plaats. De verhuizing was financieel zeer gunstig, aangezien het oude hofje voor hondervijfentwintigduizend gulden kon worden verkocht. Net als het oude hofje, werd het hofje aan de Voorschoterlaan door een hoog smeedijzeren hek gescheiden van de straat. Het hofje zelf was iets hoger gelegen dan de straat, waardoor de tuin toch prominent in beeld kwam.

Zie ook

Wikipedia Voorschoterlaan Engelfriet Hofje

Bronnen

Toegangsnummer: 89 Archieftitel: Hofje Uit Liefde en Voorzorg Het archief van het hofje is helaas niet ongeschonden gebleven bij het bombardement in de meidagen van 1940. Gelukkig is er van het oudste gedeelte veel gespaard gebleven. In 1973 hebben regenten van het hofje, dat intussen een stichting is, het archief in bewaring gegeven aan de toenmalige gemeentelijke archiefdienst (tegenwoordig Gemeentearchief Rotterdam).