content

G.J. de Jongh (1845-1917)

Van 1879 tot 1910 directeur Gemeentewerken van Rotterdam. Is vooral bekend geworden door de havenuitbreidingen die onder zijn bewind tot stand zijn gekomen.

Jeugdjaren

Hij werd op 4 juli 1845 geboren te Willemstad, als zoon van Teunis Gerardus de Jongh en Cornelia Johanna Maris. De Jongh volgde zijn militaire en technische opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda, waarna hij op twintigjarige leeftijd tot 2e luitenant-ingenieur bij de genie werd benoemd. Gedurende veertien jaar bleef hij in militaire dienst. Door zijn werk als vestingbouwkundige wist hij de aandacht op zich te vestigen met de bouw van het fort Uitermeer bij Weesperkarspel en het kamp bij Oldenbroek. Ook andere militaire bouwwerken werden door hem tot stand gebracht. Ondanks zijn drukke werkzaamheden werd De Jongh op 29-jarige leeftijd kapitein.

Directeur Gemeentewerken

In 1879 nam het leven van Gerrit Johannes de Jongh een grote wending. Op 1 oktober 1879 aanvaardde de 34-jarige De Jongh de ambt van directeur Gemeentewerken. Hiermee volgde hij Willem Nicolaas Rose en zijn overleden opvolger C.B. van der Tak op. In korte tijd wist De Jongh een machtige positie te verwerven. Als nieuwe directeur Gemeentewerken wist Gerrit Johannes de Jongh een sterke groei te realiseren voor Rotterdam. Zijn technische kennis wist De Jongh op meerdere vlakken in de Rotterdamse stadontwikkeling tot uiting te brengen. Onder zijn leiding verbeterde de infrastructuur, de voorziening van gas en elektriciteit en werd de waterleiding en een moderne riolering tot stand gebracht. De beeldbepalende Westersingel, Noordsingel en Boezemsingel werden eveneens onder De Jonghs leiding aangelegd naar ontwerp van zijn voorganger Willem Nicolaas Rose.

Havenuitbreidingen

De Jongh heeft vooral bekendheid gekregen door zijn bemoeienis met de uitbreiding van de Rotterdamse haven. In 1894 was hij verantwoordelijk voor de voltooiing van de Rijnhaven en de Parkhaven. Zeventien jaar later ontwikkelde hij, uit commercieel oogpunt, op de linker Maasoever een groot complex havenbekkens, waaronder de Maashaven. De kroon op De Jonghs werk was de Waalhaven, die overigens pas na de Tweede Wereldoorlog volledig in gebruik is genomen. De vrijgekomen baggerspecie van deze nieuwe Waalhaven werd door een buizenstelsel naar de polder naast de Kralingse Plas getransporteerd. Op deze opgehoogde grond werd later op zijn initiatief het Kralingse Bos ontwikkeld. Verder gaf De Jongh tevens vorm aan het Noordereiland en de wijk Feijenoord. Zijn ontwerp met ruime boulevards stamt al uit 1880.

Ontslag

Op 1 augustus 1910 besloot Gerrit Johannes de Jongh af te treden als directeur Gemeentewerken. Spoedig na zijn ontslag verhuisde hij naar Den Haag, waar hij voor het kiesdistrict Rotterdam als Unie Liberaal in de Tweede Kamer kwam. Deze functie bleek De Jongh niet te liggen en dus besloot hij er na een jaar mee te stoppen. Wel bleef hij nog drie jaar lid was van de Provinciale Staten van Zuid- Holland. De ontwikkelingen in Rotterdam bleef hij nauwgezet volgen. In het begin van 1914 overleed zijn vrouw, Henrietta Martina Bax, met wie hij meer dan 45 jaar lief en leed had gedeeld. Hij beleefde drie zware jaren, waarna hij op 31 januari 1917, op 72-jarige leeftijd, overleed. Een dag na zijn dood besloot de Rotterdamse gemeenteraad tot een gedenksteen ter nagedachtenis aan deze man. Ad van der Steur maakte het ontwerp, de sculptuur waren van Jaap Gidding, Leendert Bolle en Henk Chabot. Doordat er zoveel betrokkenen waren, duurde het echter jaren voordat het monument tot stand kwam. Het nog niet voltooide monument werd in 1935 onthuld.

Literatuur
A.C. Burgdorffer, In Memoriam Gerrit Johannes de Jongh, in Rotterdams Jaarboekje 1918, 132-149