content

Frantisek Skroup (1801-1862)

Tsjechisch musicus en componist, maker van het Tsjechische volkslied; bracht zijn laatste jaren in Rotterdam door.

Jeugdjaren

František Jan Škroup werd op 3 juni 1801 geboren in Osice, Tsjechië. Hij was de zoon van leraar, componist, dirigent en organist Josef Dominik Škroup en Anna Langer (Langrová). Škroup was de middelste van 9 kinderen. Net als zijn broers Jan Nepomuk en Ignác ontwikkelde hij zich tot componist. Škroup ging naar het gymnasium, waarna hij rechten studeerde aan de Kareluniversiteit te Praag. Al tijdens zijn studietijd hield hij zich als componist en amateur-dirigent bezig met muziek. Na zijn studie besloot hij zich te richten op een loopbaan in de muziek. Door patriottisme geleid, begonnen Škroup en zijn vrienden met het vertalen van opera’s van onder andere Mozart en Rossini in het Tsjechisch.

Successen

Škroup werd benoemd tot kapelmeester aan het Standentheater, en voerde in 1826 zijn eerste opera, ‘Dráteník’ (De Ketellapper) op. De opera was met zijn nationalistische karakter en verbroedering tussen Tsjechen en Slowaken een groot succes, wat Škroup tot de grondlegger van de Tsjecho-Slowaakse opera maakte. In 1834 zong de Tsjechische operazanger Karel Strakatý zijn lied ‘Kde domov můj?’ (Waar is mijn huis?), dat zo populair werd dat het de nationale hymne van het Tsjechische volk werd. Het lied vormde het eerste deel van het Tsjecho-Slowaakse volkslied tot de splitsing in 1992, waarna ‘Kde domov můj’ als volkslied werd overgenomen door Tsjechië. Škroup’s populariteit liep in de daarop volgende jaren terug: de jongere generatie van na 1848 vond hem te Duits, terwijl de Praagse Duitsers die hem te pro-Tsjechisch vonden. In 1857 werd Škroup na een conflict door operadirecteur Stöger ontslagen en kwam er een einde aan zijn carrière in Praag.

Laatste jaren in Rotterdam

Door gebrek aan werk en uit de noodzaak om voor zijn gezin te zorgen besloot Škroup te emigreren. Zo gebeurde het dat Škroup op uitnodiging van Rotterdam, waar pas een Hoogduitse opera was opgericht, naar Nederland kwam. Zijn oudste zoon Alfréd volgde in 1862 ook en vond werk als violist in het orkesttheater, maar de rest van zijn gezin bleef achter in Praag. In Nederland componeerde Škroup een groot aantal werken zoals liederen en koren. Vooral zijn opera ‘De Watergeus’ werd erg populair. Ondanks zijn Nederlandse successen bleef Škroup terug verlangen naar zijn thuisland en zijn gezin.

Toen Škroup in 1861 zijn zomervakantie doorbracht in Praag, bracht hij met longklachten weken lang door in bed. Verzwakt keerde Škroup terug naar Nederland waar hij weer aan het werk ging. In de nacht van 6 op 7 februari 1862 stierf Škroup in zijn Rotterdamse woning aan het Hang. Tot zijn dood bleef Škroup bezig met repeteren en uitvoeren van voorstellingen. Op 11 februari werd Škroup begraven in een algemeen graf voor kunstenaars op begraafplaats Crooswijk. Zijn zoon Alfréd was als enige nabestaande bij de begrafenis aanwezig. Ondanks de grote belangstelling voor het herdenkingsconcert op 13 februari, raakte Škroup en zijn begraafplaats snel in de vergetelheid.

Herontdekking

In 1921 werd zijn graf echter herontdekt door de Rotterdamse archivaris Dr. E. Wiersum. Na zijn herontdekking is Škroup nog meerdere malen geëerd, zo werd in 1934 werd een gedenkplaat onthuld aan de gevel van Škroup’s woning, die ten tijde van het bombardement in 1940 werd verwoest. In 1936 is bij zijn graf een monument opgericht en op zijn 160ste geboortedag werd bij het graf een beeld onthuld.

Literatuur
http://volny.cz/pavelsrpek/zadost.htm (3 mei 2012) W.V. ‘František Škroup’ in Ouverture, 11e jaargang nr. 1 september 1976 De Tsjechoslowaakse componist F. Skroup en Nederland in II C8762