content

Opvarenden VOC


opvarenden

De VOC was lange tijd een succesvolle multinational, een handelsorganisatie met vestigingen aan de Kaap de Goede Hoop en in Batavia (Jakarta), India, China, Japan en overal in de Indonesische Archipel.

De Rotterdamse kamer, geleid door zeven bewindhebbers (directeuren), fungeerde als handelaar in koloniale waren, scheepsbouwer en reder. De kamer van de Maasstad nam een zestiende deel van de activiteiten van de Compagnie voor zijn rekening, net als de andere drie kleinere kamers Delft, Hoorn en Enkhuizen. Amsterdam en Middelburg waren grotere en belangrijkere kamers, maar gedurende de achttiende eeuw werd de kamer Rotterdam, opererend vanuit het op de Boompjes staande Oost-Indisch Huis, binnen de VOC relatief steeds belangrijker.

Vele door de kamer Rotterdam uitgeruste Oost-Indiƫvaarders hebben op de Maas gevaren: schepen met bekende namen als Feijenoord, Charlois, Huis ten Donk, Zoelen, Blijdorp, Krooswijk, Ridderkerk en Rotterdam. Gedurende de achttiende eeuw hebben de Rotterdamse bewindhebbers gemiddeld twee schepen per jaar naar Aziƫ gezonden. Per decennium werden er in de eerste helft van de achttiende eeuw gemiddeld zeven nieuwe Rotterdamse VOC-schepen op de werf op de Oostzeedijk gebouwd. Op deze schepen zaten natuurlijk vele stadsgenoten. Het Nationaal Archief heeft in samenwerking met het Stadsarchief Rotterdam de soldijboeken van de bemanning over de periode 1700-1794 in een database opgenomen.