content

Chinezen in Rotterdam

In 1911 haalden Rotterdamse reders Chinese zeelieden naar ons land om een havenstaking te breken. Dat was het begin van de Chinese gemeenschap in Rotterdam.

De komst van Chinezen

Op 17 juni 1911 stapte 26 Chinese zeelui over van het schip Batavier III van de Rotterdamse Lloyd op de sleepboot Veritas. In rap tempo verdween het bootje richting Kop van Zuid waar de Chinezen in loodsen op het haventerrein van de Lloyd werden ondergebracht. Daar zat al een groep van zeventig landgenoten die door de Lloyd al eerder uit Londen was gehaald.

Havenstaking

De Chinezen waren geworven in Londen en de aanleiding voor hun overhaaste komst was de grote havenstaking in Rotterdam (en in Amsterdam). Zeelieden hadden hun werk neergelegd voor betere arbeidsomstandigheden en hogere lonen. Ze werden vervangen door de Chinese zeelieden die het smerige vak van o.a. stoker uitstekend verstonden. De scheepsondernemers gingen dus niet in op de eisen van de stakers. Toen als gevolg het werk in de haven volledig stil kwam te liggen omdat ook de havenarbeiders het werk neerlegden, zetten de reders ook de Chinezen in voor het laden van hun schepen. Het werk ging dus gewoon door en daarmee was de staking mislukt.

Na de staking

Na de mislukte staakpoging werden de Chinese zeelieden niet, zoals gebruikelijk, ontslagen zodat de arbeiders weer aan het werk konden. Integendeel, er werden er nog veel meer aangenomen waardoor honderden Nederlandse zeemannen hun werk verloren. Een jaar na de staking had de Lloyd al een kleine vierhonderd Chinezen in dienst. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Rotterdam de stad met de grootste concentratie Chinezen. De Britse marine blokkeerde de Duitse Oostzeekust, waardoor de Chinese zeelieden vanuit daar naar het neutrale Rotterdam vertrokken. Door de enorm toegenomen vraag naar grondstoffen en voedsel maakte de haven een gouden tijd door.

Groei

De grootste groei kwam na 1918 toen de Britse zeelieden na hun diensttijd hun werk weer opeisten dat al die tijd gedaan was door Chinezen. De Britse overheid zat met een enorm overschot aan Chinese zeelieden. Er werd met de reders een compromis gesloten. Ze mochten met Chinese zeelui varen maar alleen als ze elders werden af- en aangemonsterd. En waar kon dat beter dan in de wereldhaven Rotterdam. Deze goedkope arbeidskrachten zouden vanaf de Eerste Wereldoorlog van groot belang worden voor de ontwikkeling van de Rotterdamse zeevaartindustrie.

Katendrecht

Voor de huisvesting van de Chinezen in Rotterdam lagen er twee locaties voor de hand: de Schiedamsedijk en Katendrecht. Beide buurten stonden bekend als uitgaansgelegenheden met veel bars, danshuizen, prostituees en kroegen en ze trokken daardoor een internationaal gezelschap van emigranten, zeelieden en scheepspersoneel. Uiteindelijk kwamen de Chinezen in Rotterdam op Katendrecht terecht en niet op de Schiedamsedijk omdat de schepen, die niet geregeld op de Rotterdamse havens voeren, daar aanlegden. Ze zaten daar dus dicht bij de bron van werkgelegenheid. Bovendien vormden de bewoners van de Schiedamsedijk een hechte gemeenschap die buitenstaanders moeilijk accepteerden, terwijl in Katendrecht juist veel nieuwkomers of passanten woonden.

Wervingsbureaus

De Chinese gemeenschap bestond in hoofdzaak uit jonge, meestal ongehuwde mannen die als kolentremmers, wasknechten en stokers op de schepen het zware en vuile werk deden. De onregelmatige vraag naar scheepspersoneel maakte een groot aanbod noodzakelijk. De zeelieden waren in dienst van een Chinese shippingmaster, een tussenpersoon die bemiddelde tussen de scheepvaartmaatschappij en de zeeman. Hij bezat de absolute macht in het toekennen van werk. Daarnaast zorgde hij ook voor huisvesting, die door hem zelf of door een boardinghouse master werd beheerd. Als de Chinese zeelieden ergens zelfstandig een kamer wilden huren, werd hun geen werk meer aangeboden. Zij waren financieel met handen en voeten gebonden aan de shippingmaster. Het eerste wervingsbureau (annex sigarenzaak) voor Chinese zeelieden op Katendrecht werd in 1914 geopend door een Chinees. Al spoedig volgden meer shippingmasters zijn voorbeeld, want niet alleen de Lloyd maar ook de Bataafsche Petroleum-Maatschappij, de Stoomvaart Maatschappij Nederland en de Holland-Amerika Lijn maakten veel gebruik van Chinezen. De machtspositie van de shippingmasters verklaart waarom de Chinezen zo geconcentreerd op Katendrecht bleven wonen.

Rotterdams Chinatown

Katendrecht groeide uit tot een schipperskwartier met Chinese restaurants, cafés, gokhuizen en theehuizen waar niet alleen Chinese ondernemers goede zaken deden, maar ook de Katendrechters zelf. In de jaren dertig bereikte de welstand van de Chinese ondernemers een hoogtepunt en vooral de Chinese restaurants werden populair bij het Nederlandse publiek. De populatie groeide van nog geen 100 Chinezen tot zo’n 1500, waarvan de meesten in de Atjehstraat en de Delistraat woonden. Rotterdam had daarmee de grootste kolonie in Nederland. De VVV-week in september 1935, georganiseerd door de Katendrechters en de Chinezen samen, maakte het Chinese eten populair. De Rotterdammers stonden er voor in de rij. Het Chinese theehuis verkocht op één dag 2200 koppen thee en 72 pond Chinese cake. Vanaf dat moment heette Katendrecht het ‘Rotterdamsche Chinatown’. Men schatte dat er in dat weekend ruim 35.000 mensen een kijkje op Katendrecht hadden genomen, waaronder busladingen toeristen uit Amsterdam, Den Haag en de Hoekse Waard.

Crisis

Door de economische crisis in de jaren dertig verging het de zeelieden slechter, de werkgelegenheid liep drastisch terug. Verschillende ontwikkelingen in de scheepvaart, zoals stookolie in plaats van kolen waarvoor minder personeel nodig was en de crisis dwongen hen tot langdurig verblijf in de boarding houses. Er stonden geen inkomsten tegenover en overheidssteun ontbrak. Armoede sloeg toe en ondervoeding en slechte levensomstandigheden eisten hun slachtoffers. Veel Chinezen leden aan hongeroedeem en in 1931 brak er ook nog een beri beri-epidemie uit.

Pindakoekje

De redding kwam vanuit de Chinezen zelf. Een Chinees begon een uit Zuid-China afkomstige lekkernij te maken: het pindakoekje. Een mengsel van pinda’s, suiker en azijn dat afgekoeld in plakjes werd gesneden en vervolgens verpakt. Al snel vond zijn initiatief navolging bij zijn lotgenoten. Aanvankelijk beperkte deze handel, die verkocht werd vanuit een trommel met het opschrift ‘Pinda, pinda, lekker 5 ct’, zich tot de Rotterdamse binnenstad. Na de Indische tentoonstelling in 1932 verspreidde het koekje zich naar Den Haag en Amsterdam. De verkoop verliep in eerste instantie enorm succesvol en geleidelijk verspreidden de Chinezen zich over het hele land. De klap kwam in 1933 toen de crisis maar niet voorbij ging.

Krimp

Verscherpte politiemaatregelen – eenmaal aangemonsterd verloor de Chinese zeeman het recht om naar Rotterdam terug te keren – en een repatriëringsplan voor oude, zieke en dus economisch ‘nutteloze’ Chinezen zorgden voor een drastische daling van de populatie. Van de 1500 Chinezen die Katendrecht bevolkten waren er in 1938 nog maar 150 over. Het eens zo levendige Katendrecht met zijn avond- en nachtleven was in 1939 een der stilste havenhoeken geworden.