content
Uw zoekacties: Nederlandse Rode Kruis, afd. Rotterdam
x97 Nederlandse Rode Kruis, afd. Rotterdam
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

97 Nederlandse Rode Kruis, afd. Rotterdam
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inventaris
1. Inleiding
sluiten
97 Nederlandse Rode Kruis, afd. Rotterdam
1. Inleiding
Een K.B. besluit van 21 juli 1865 gaf kennis van de overeenkomst de 22ste aug. 1864 te Genève aangegaan tussen Nederland, Baden, België, Denemarken, Frankrijk, Groothertogdom Hessen, Italië, Portugal, Pruisen, Spanje, Wurtemberg en Zwitserland tot verbetering van het lot der gebonden bij de legers te velde in oorlogstijd. Als herkenningsteken van onzijdigheid ter bescherming der gekwetsten was een rood kruis op een wit veld aangenomen als hulde aan Zwitserland. Bij K.B. van 19 juli 1867 werd daarna de Nederlandsche Vereniging tot het verlenen van hulp aan zieke en gewonde krijgslieden in tijd van oorlog in het leven geroepen met een Hoofdcomité te 's-Gravenhage, terwijl in alle gemeenten afdelingen konden opgericht worden, ook van vrouwen. Na het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog werd te Rotterdam 1 aug. 1870 een afdeling opgericht dezer vereniging, die dadelijk tal van leden telde. De Reglementen voor de zich gevormde mannen- en vrouwencomités werden 18 aug. door het Hoofdcomité goedgekeurd en een officieel Diploma van erkenning werd verleend. De werkzaamheden verden zoveel mogelijk tussen de beide comités verdeeld, het mannencomité behield o.a. de kas, het vrouwencomité ontving de giften in natura en zorgde voor een magazijn met allerlei goederen, nodig voor een ambulance. De offervaardigheid der Rotterdammers stelde de Comités al spoedig in staat een eigen ambulance uit te zenden naar La Chapelle onder Dr. E. van Rijckevorsel; toen deze 22 okt. 1870 werd opgeheven, was de kas zo ruim voorzien, dat er nog krachtig steun verleend kon worden aan andere ambulances. Een zogenaamde Centen- of Hulpvereniging, die in 1870 onder de volksklasse werkte, bracht daartoe ook het hare bij. Na de vrede bleven wel de vereniging en haar afdelingen bestaan, doch van verleende hulp lezen wij voorlopig slechts in tijden van oorlog. Er zijn zelfs jaren, waarin de Rotterdamse Comités geen vergadering gehouden hebben, omdat er niets te bespreken viel.
In 1873 verleende Rotterdam steun aan onze militairen in Atjeh, in 1877 is geld afgestaan voor de gevonden in de Russisch-Turksche oorlog, in 1881 werd aan het Nederlandse Rode Kruis na lang onderhandelen met Engeland toegestaan een ambulance naar Transvaal te zenden, waarvoor ook Rotterdam veel bijeenbracht. Meermalen reeds was er op gewezen, dat men in vredestijd zich moest trachten gereed te maken voor de taak, die de Vereniging in de oorlog wachtte, zoals het 2de deel van het omschreven doel in de statuten der Vereniging luidt. Sinds 1885 komt de opleiding van verplegers en verpleegsters ter sprake, doch pas in 1886 is aan dat plan uitvoering gegeven. Het Hoofdbestuur besloot ten behoeve van het Rode Kruis 16 meisjes als verpleegster op te leiden en wel in het Rotterdamse ziekenhuis. Na een leertijd van twee jaar zou dan een examen afgelegd en een diploma behaald kunnen worden. Deze verpleegsters zouden verplicht zijn zich ten allen tijde beschikbaar te stellen voor het Rode Kruis.
Deze regeling ging 1 oktober 1888 in, doch in 1892 werd daarin wijziging gebracht; het Rotterdamse Comité sloot een contract met het ziekenhuis tot opneming van 6 gediplomeerde Rode Kruiszusters, die in vredestijd beschikbaar waren voor particuliere verpleging en zo haar tijd daardoor niet geheel bezet was in het ziekenhuis hielpen. Na 1896 hield deze particuliere verpleging op en deze zusters gingen over in het kader van het ziekenhuis, zodat daarmede het in 1892 gesloten contract kwam te vervallen. In 1899 bleef Rotterdam niet achter, toen door het Hoofdcomité met steun der afdelingen twee ambulances naar Zuid-Afrika werden gezonden; op eigen kosten werd zelfs een aanvullings- of 3de ambulance uitgerust, weer onder leiding van Dr. E van Rijckevorsel. De in 1901/02 gaarne geboden hulp aan de Boeren kon niet verleend worden, omdat men zelfs voor verpleegsters geen permit van de Engelsen had kunnen verkrijgen. Daarop volgden weer enige jaren van rust.
Bij K.B. van 6 nov. 1895 werd het K.B. van 19 juli 1867 o.a. aangevuld met bepalingen omtrent de verhouding tussen de Vereniging "Het Nederlandse Rode Kruis", zoals de naam voortaan zou zijn en de chefs van de geneeskundige dienst in het leger, die in tijd van oorlog de bevoegdheid hadden vast te stellen, waar, wanneer en op welke wijze gebruik zou worden gemaakt van de diensten van het personeel en materieel der vereniging, waar tegenover in geval van mobilisatie een lid van het hoofdcomité onder de naam van Commissaris van het Nederlandse Rode Kruis aan het
hoofdkwartier en zo nodig ook aan het hoofdkwartier van de liniën en stellingen zou worden toegevoegd als gedelegeerde. Toen de geneeskundige dienst der landmacht het in 1907 wenselijk achtte, dat het Rode Kruis reeds in vredestijd zich zoveel mogelijk belastte met het organiseren van ziekentransportkolonnes, die ook dienst konden doen bij het samenkomen van grote volksmenigten, gaf ook het Rotterdamse Comité aan die wens gehoor, zodat een transportkolonne in 1908 alhier tot stand kwam. Een nieuwe conventie of tractaat te Geneve werd gesloten 6 juli 1906, bij welk tractaat ook Nederland zich weer aansloot, terwijl naar aanleiding daarvan een nieuv K.B. van 2 april 1909 deze zaak voor Nederland regelde en het doel nogmaals uitbreidde, door daaraan toe te voegen: medewerking tot leniging van de nood bij rampen in binnen- en buitenland in het algemeen, in oorlog in werking stellen van een Informatiebureau voor zieken en gevonden en in vredestijd het doen van maatschappelijk werk, dat in haar lijn ligt, in aansluiting bij andere verenigingen. Te Rotterdam ook werd met die gewijzigde opvatting telkens rekening gehouden, doch hoofdzaak bleef toch de hulp in de oorlog. In 1912 werd deze ingeroepen voor de toestand pp de Balkan voor ambulances in Griekenland, Bulgarije en Turkije, overigens viel er in dit en het volgende jaar nog dit bijzondere voor, dat er 24 april 1912 een formele splitsing plaats had tussen de beide Comités, waardoor het vrouwencomité meer zelfstandig werd en de bevoegdheid verkreeg om eigen contribuerende leden te werven. In geval van nood zouden de comités echter slechts één geheel vormen en als zodanig handelen en optreden naar buiten. Belangrijke zaken werden evenals vroeger in gecombineerde vergaderingen besproken en beslist. In 1913 werd de goedkeuring van het Hoofdcomité verkregen op de nieuwe statuten en van het Mannencomité én van het Vrouwencomité.
Het oorlogsjaar 1914 bracht grote arbeid voor de afdeling Rotterdam van het Nederlandse Rode Kruis. De 30ste juli werd een brief van het Hoofdbestuur ontvangen om bij de eerste oproep gereed te staan en alle voorbereidende maatregelen te nemen voor mobilisatie der Rotterdamse colonne, terwijl opgave verlangd werd van hetgeen Rotterdam op zich kon nemen. Met grote ijver, met buitengewone toewijding is gewerkt om klaar te zijn, als Rotterdam een rol in de oorlog zou moeten spelen.
Zalen in ziekenhuizen, verenigingsgebouwen, het hotel Uranium, magazijnen en particuliere gebouwen werden beschikbaar gesteld om gewonden op te nemen, auto's, motorboten en motorfietsen ten gebruike afgestaan, het magazijn van het vrouwencomité van zoveel goederen voorzien, dat het nodig bleek, een centraal magazijn in te richten in het oude huis "De Heuvel" in het Park. Tal van doctoren boden hun dienst aan; andere personen meldden zich aan voor de verpleging voor de transportcolonne of voor andere werkzaamheden. De Rodekruiscursussen in verbandleer, sinds sept. 1913 gegeven, werden druk bezocht.
Door de samenwerking tussen mannen- en vrouwenafdeling was Rotterdam goed voorbereid voor alle gebeurlijkheden, doch gelukkig bleef de oorlog buiten onze grenzen en Rotterdam heeft slechts een kleine taak te vervullen gehad in de wereld strijd. Begin okt. is er door de comités een Noodziekenhuis aan de Raampoortlaan in de vroegere Kraamzaal geopend, waarin sinds 15 oktober Belgische soldaten zijn opgenomen en die tot 19 december 1914 als Rode Kruiskliniek heeft bestaan. Verder heeft het Rode Kruis te Rotterdam in het tweede jaar van de oorlog zijn diensten bewezen bij de transporten van uitgewisselde gewonde en zieke Engelse en Duitse soldaten, die over Vlissingen kwamen. Een mobiele verpleeggroep was hier gevormd door zes R.K. zusters onder een hoofdverpleegster, die op telegrafisch verzoek overal in Nederland hulp konden verlenen.
Ook in 1916 hebben deze verpleegsters goed werk verricht, toen de transporten over Hoek van Holland gingen. De 1ste april van dat jaar leidden de alarmerende berichten nog tot een spoedvergadering, doch hierbij bleef het gelukkig. Andere hulp dan aan zieke en gewonde militairen heeft het Rotterdamse Rode Kruis hoogst zelden verleend, doch ook niet behoeven te verlenen, daar te Rotterdam vele bijzondere verenigingen op allerlei gebied werkten.
In de zomer van 1919 *  bood een der secretarissen, de heer Z.G. Ph. Marcella, het archief aan de Gemeente ter deponering in haar Archiefgebouw aan. B. en W. stelden de Raad voor het aangeboden archief te aanvaarden. De Raad nam dit voorstel in zijn vergadering van 31 juli 1919 aan en spoedig daarop werd het archief van het kantoor der firma Leyden en van Beest, Gedempte Binnenrotte 22-24, waarvan de heer Marcella een der firmanten was, naar de Mathehesserlaan overgebracht. De door de heer Marcella in zijn
Brief van 3 juni 1919 genoemde medailles zijn niet aan het gemeente-archief afgedragen, terwijl een verzameling brochures en tijdschriften, tot het archief van het R.K. behorende, de 5de december 1919 van het archiefgebouw naar de bibliotheek der gemeente zijn overgebracht. Een aanvulling van het archief in april 1921 ontvangen werd eveneens beschreven en ingevoegd bij deze inventaris en de vervolgen der hierboven genoemde tijdschriften en enkele brochures aan de gemeentebibliotheek afgestaan. 21 april 1921.
Inventaris gemaakt December 1919.
2. Inventaris
Kenmerken
Datering:
1870-1918
Openbaarheid:
Het gehele archief is zonder beperkingen voor ieder ter inzage.
Omvang:
.91 meter
Rubrieken:
Trefwoorden:
Categorie:
  • Zonder categorie
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS